Sluipschutters in het leger

afbeelding van P Geertsma

Sluipschutters zijn militairen die getraind zijn om personen en objecten uit te schakelen over verhoudingsgewijs lange afstanden. Sluipschutters zijn vaak lange periodes verscholen in (vijandelijk) gebied en maken deel uit van kleine verkenningseenheden. Na grondige observatie van het beoogde doel komt vaak het cruciale moment dat de sluipschutter de trekker moet overhalen om zodoende het doel uit te schakelen.

Omdat sluipschutters zich vaak richten op specifieke doelen en specifieke momenten om die doelen uit te schakelen zijn sluipschutters erg kwetsbaar. Wanneer de sluipschutter wordt ontdenkt heeft hij vrijwel geen kans om te ontkomen. Sluipschutters besteden daarom extra tijd aan camouflage en worden hierin ook specifiek getraind. Daarnaast worden sluipschutters getraind om te overleven in vijandelijke gebieden waarin zijn volkomen op zichzelf aangewezen zijn. Elke handeling die ze uitvoeren moet zo onopvallend mogelijk gebeuren en daarom vind de meeste activiteit zoals voedsel zoeken s’nachts plaats. Overdag houd de sluipschutter zijn doel in de gaten of wacht hij op het moment dat zijn doel voorbij komt. Één persoon ziet echter minder dan twee personen en daarom werkt een sluipschutter vaak samen met een zogenoemde ‘spotter’ die hem helpt om het doel te bepalen en de afstand tot het doel in te schatten. Sluipschutters maken gebruik van precisiegeweren die specifiek op de schutter zijn ingesteld. De spotter leert ook omgaan met het geweer van de sluipschutter.

Sluipschutters worden vaak ingezet om een belangrijke leidinggevende van de tegenpartij uit te schakelen. Daarnaast kunnen ze ook worden ingezet om de bemanning van vijandelijke artillerie onschadelijk te maken. Sluipschutters maken vaak weinig slachtoffers. De slachtoffers die ze maken zijn echter wel heel belangrijk voor het verloop van de strijd.