SABOTAGE & SURVIVAL op de HARDANGERVIDDA

afbeelding van P Geertsma

Door Willem Mugge

Onderstaande tekst is door Willem van der Mugge geschreven en beschrijft een belangrijke geallieerde operatie in de Tweede Wereldoorlog. Laat u boeien door deze interessante tekst die zo waarheidsgetrouw als mogelijk is beschreven.

Inleiding
In 1938 ontdekte Professor Otto Hahn in het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn het verschijnsel kernsplitsing. Het bleek dat de combinatie van Deuteriumoxide (D2O) en uranium tot een controleerbare splitsing kon leiden. Dit proces maakte de ontwikkeling van kernenergie, maar ook van een kernwapen mogelijk.

De enige plaats ter wereld waar in die tijd op grote schaal Deuteriumoxide werd geproduceerd was in een fabriek in Vemork, gelegen in de Rjukanvallei in het midden van zuidelijk Noorwegen, aan de rand van het Hardangervidda plateau.
Deuteriumoxide, ook wel zwaarwater genoemd, was een bijproduct van het produceren van waterstof. Waterstof wordt gebruikt voor de productie van ammoniak wat op zijn beurt weer gebruikt wordt voor de
fabricage van kunstmest. Churchill geloofde aanvankelijk niet in de mogelijkheid van het produceren van “een sinister nieuw soort explosief waarmee de vijand vernietigd zou kunnen worden”. Alleen een handvol vooraanstaande wetenschappers was zich van het gevaar bewust. Albert Einstein had president Roosevelt al gewaarschuwd over de snelle vorderingen die gemaakt werden op het gebied van nucleair onderzoek in Duitsland. Daarop werd in Amerika het bekende Manhattan project gestart en werden grote sommen geld beschikbaar gesteld aan een groep geleerden die de achterstand op de ontwikkelingen die in Duitsland gaande waren in te lopen.

Tot opluchting van de Geallieerden was het de Franse chemicus Curie gelukt om de reeds geproduceerde voorraad zwaar water uit Noorwegen te smokkelen voordat de nazi’s het land binnenvielen. Via Nederland en Frankrijk werd het zwaarwater naar Engeland getransporteerd. In Whitehall sloegen in mei 1941 alle stoppen door, de nazi’s wilden de productie van zwaar water in de fabriek van Norsk Hydro in Vemork opvoeren tot 500 kg per maand. Niemand hoefde zich af te vragen waar de nazi’s deze hoeveelheden zwaar water voor nodig hadden, namelijk de ontwikkeling van een atoombom.

Dit bericht was binnen gekomen via inlichtingen die verzameld werden door het Noorse verzet en het werd meteen geclassificeerd als TopSecret.
Tegen het einde van 1941 kwam het bevel vanuit Berlijn om de productie te verdrievoudigen, er was nu geen twijfel meer mogelijk, Hilter zette alles op alles om de race om de atoombom te winnen. De productie van zwaarwater
stond onder leiding van Professor Leif Tronstad, hij kreeg van de nazi’s de opdracht om de installatie die nodig was voor de productie van zwaarwater
uit te breiden om aan de vraag te kunnen voldoen. Tronstad probeerde op allerlei manieren de aanleg te vertragen en verontreinigde de reeds geproduceerde voorraad zwaar water met visolie. De nazi’s begonnen Tronstad te wantrouwde en op aanraden van Engeland vluchtte hij via het neutrale Zweden naar Engeland. Hier aangekomen werd hij benoemd tot hoofd van de sectieIV van het Noorse oppercommando. Sectie IV was verantwoordelijk voor de coördinatie van het verzamelen van inlichtingen en van sabotage acties in Noorwegen. Dit gebeurde in
samenwerking met de engelse dienst SOE.

Special Operations Excutive was een geheime organisatie die tijdens WOII werd opgericht met het doel “to set Europe ablaze” zoals Winston Churchill het uitdrukte. Dit werd bereikt door in de bezette gebieden guerrillaen sabotageacties op te zetten, ook werden in deze gebieden geheime agenten gedropt die onder andere voor verbindingen met Engeland konden zorgen. SOE was dus de geijkte organisatie om een sabotage aanval op de zwaarwater fabriek in Vemork te leiden. Een groot nadeel was echter dat SOE geen agenten in het Telemarken gebied had, ook het vervoer van agenten naar het gebied was een probleem, Rjukan ligt namelijk 225 km van de Atlantische Oceaan en 225 km van de Olso fjord. Agenten zouden dus nog een lange weg af moeten leggen nadat men hen met een schip aan land hadden afgezet. Daarom werd besloten de sabotagegroep per parachute op het Hardangervidda plateau te droppen. Men moest dan na afloop van de actie naar Zweden zien te ontkomen, hoe was echter nog de vraag.

Operatie GROUSE 1
Het zat de planners van de aanval op de fabriek van Norsk Hydro plotseling mee toen in maart 1942 de 23 jarige Einar Skinnerland in Aberdeen aan wal stapte van een door hem en vijf andere jonge Noren gekaapt stoomschip Galtessand. Einar was geboren en getogen in de Rjukan vallei, kende iedereen in het gebied en
door zijn functie als technicus bij Norsk Hydro kende hij ook veel mensen in de fabriek. SOE kon zich geen betere agent wensen, voor zijn ontsnapping naar Engeland had hij zijn werkgever gezegd dat hij zijn jaarlijkse vakantie opnam. In Engeland kreeg hij in 10 dagen tijd een verkorte agentenopleiding, inclusief het bedienen van een radioset, het werken met explosieven en het verkrijgen van informatie. In de nacht van 28 op 29 maart 1942 landde hij per parachute op de Hardangervidda. De volgende dag meldde hij zich weer vrolijk op zijn werk en vertelde zijn collega’s dat hij van een ontspannen vakantie had genoten. Alle Noorse agenten hadden een vogel als codenaam en die van Skinnerland was GROUSE, korhoender. Zijn operatie kreeg de titel Grouse1.

Volgens Leo Marks, is Skinnerland opgehaald uit Noorwegen door Odd Starheim, een verzetstrijder van het eerste uur die mede verantwoordelijk was voor het tot zinken brengen van de Bismarck in een fjord in Noorwegen. Hij wist nog een aantal anderen mee te krijgen op de boot die hij kaapte om met Skinnerland
weer terug naar Engeland te kunnen komen. De marconist van Starheim, Tomstadt, informeerde SOE over de komst van Skinnerland en Starheim en vroeg luchtdekking voor de boot aan.

Operatie GROUSE 2
Voor de zomer van 1942 begonnen SOE instructeurs onder de deelnemers van de agentenopleiding de besten te selecteren die deel zouden kunnen nemen aan de meeste gewaagde operatie aller tijden. Alle deelnemers aan de loodzware opleiding waren jonge Noren die uit Noorwegen ontsnapt waren en vrijwillig dienst
hadden genomen bij de Norwegion Independant Compagny, ook wel de Linge Compagnie genoemd. De compagnie had zijn naam te danken aan Kapitein Martin Linge, die tijdens een commandoactie in Noorwegen door een Duitse sluipschutter gedood was. Men was niet alleen op zoek naar uitstekende soldaten, maar zij moesten tevens echte bergsportmensen zijn, die alle uitdagingen van de natuur aan zouden kunnen. Uiteindelijk werden er 10 mannen geselecteerd: Jens Anton Poulsson, Arne Kjelstrup, Knut Haukelid, Claus Helberg, Knut Haugland, Joachim Rønneberg, Birger Strømsheim, Hans Storhaug, Kasper Idland en Frederik Kayser.
Terwijl de top van de engelse militaire planners onderling overhoop lag over de te volgen strategie besloot SOE een kwartiermakers op de Hardangervidda te droppen. Poulsson, een ervaren bergbeklimmer, werd als leider gekozen, hij koos Helberg, Haukelid, Haugland en Kjelstrup en vormde daarmee de deelnemers van
operatie Grouse2.

Poulsson was een opvallende figuur met altijd een pijp in zijn mondhoek geklemd. Via een reis door vier continenten was hij in Engeland aangekomen. Hij kwam uit Rjukan en kende de omgeving op zijn duimpje en hij had als kind ook gezien hoe de fabriek van Norsk Hydro gebouwd werd. Zijn hele familie woonde nog steeds in Rjukan, maar hij mocht tijdens de operatie onder geen beding contact met hen opnemen.

Haukelid was bij de instructeurs opgevallen omdat hij naast zeer intelligent, ook heel scherp was en hard werkte. Hij was een goede onderofficier die heel berekenend was en goed leiding kon geven. Al in het begin van de oorlog hield hij zich bezig met verzet acties tegen de bezetter. Hij was medeorganisator van de zogenaamde “Shetland bus” en een illegale bootverbinding tussen Schotland en Noorwegen Samen met Sverre Midskau en Max Manus blies hij in Trondheim een onderzeebootbasis op. Na deze actie vluchtte hij naar Zweden en via Stockholm kwam in Engeland terecht.

Helberg was ook inwoner van Rjukan, hij had op de lagere school naast Poulsson in de schoolbank gezeten. Hij was instructeur bij de Noorse bergsport vereniging, maar toen in Europa de oorlog uitbrak nam hij
dienst in het Noorse leger. Werd krijgsgevangen genomen, ontsnapte en ging weer als berginstructeur werken. Toch moest hij op gegeven moment naar Zweden vluchten en begon vervolgens als koerier voor de illegaliteit berichten uit Noorwegen naar Zweden te smokkelen. Op dat moment was er namelijk nog geen
radiostation in Noorwegen dat contact met Engeland had. Na gevangschap in Zweden werd hij door tussenkomst van de Engelsen op een vliegtuig naar Engeland gezet. Claus had de eigenschap altijd in problemen te komen, maar hij zag altijd ook kans om zich er weer uit te redden.

Haugland was een radiobedienaar/marconist van de eerste orde, hij had voor de oorlog op een handelsschip gevaren en hij had deelgenomen aan de achterhoede gevechten na de Duiste inval in Noorwegen. Tijdens de bezetting werkte hij in een radio fabriek en begon hij voor het verzet te werken. Na drie keer gearresteerd te zijn geweest, vluchtte hij naar Zweden en wist Engeland te bereiken waar hij dienst nam in de Linge Compagnie.

Kjelsrup was in Rjukan geboren, maar groeide op in Olso. Hij besteedde echter veel tijd in Telemarken en kon zich daar uitstekend redden. Hij was klein, maar stevig gebouwd, was loodgieter en had een enorm gevoel voor humor. Lef had hij ook, tijdens de Duitse invasie in Noorwegen had hij met nog iemand anders een Duitse colonne aangevallen die het binnenland introk. Hij had Poulsson op de boot van Canada naar Engeland ontmoet en Poulsson was onder de indruk geraakt van deze kleine man.

De voorbreidingen
Tegen de tijd dat de Grouseleden geselecteerd werden was de SOE een maatschappij op zich geworden, met zijn eigen industrie, wetten en cultuur. Om agenten te rekruteren en op te leiden was een enorme infrastructuur opgezet. Opleidingscholen, onderzoekcentra en verschillende hoofdkwartieren werden her en der in Engeland opgezet. Bestaande fabrieken werden omgebouwd om speciale uitrusting te produceren zoals wapens, radioapparatuur voor geheim gebruik, valse documenten, kleding en andere benodigdheden.

De mannen van Grouse en hun kameraden van de Linge Compagnie werden grondig doorgelicht in de Royal Victoria Patriotten school in Wandsworth Common bij Londen. Hier vielen de echte talenten op en werden de mindere goden verwijderd, ondanks het feit dat men bij SOE om geschikte mensen zat te springen. Een van de methoden om te kijken of iemand voldeed, was hem volgieten met drank en dan proberen om informatie uit hem te krijgen. Er werd zelfs ’s nachts geluisterd of men niet in zijn slaap praatte. In de diverse SOE “Stations” werd de mannen van Grouse geleerd hoe men een basis op moest zetten en van daaruit agenten moest werven en opleiden. Hoe men parachutedroppings moest organiseren om mensen en voorraden binnen te halen. Hoe men inlichtingenbronnen op moest zetten, sabotageacties plannen en uitvoeren en ook werd geleerd hoe men radiosets moest bedienen. Na de selectieprocedure werden de Noren eerst drie weken naar een cursus gestuurd waar de lichamelijke conditie op peil gebracht werd en waar men getraind werd in gebruik van kaart en kompas. Tevens kreeg men daar een wapenopleiding. Vervolgens werden deze trainingen geïntensiveerd in Schotland, hier ontving
men ook een survivaltraining. Als men hiervoor slaagde werden de cursisten weer naar Engeland gestuurd, waar men een parachutisten opleiding kreeg. Hier kreeg men ook onderwijs in communicatie en propaganda. Communicatie tussen Grouse en Engeland was van vitaal belang voor de komende operatie. In 1942 was
het de SOE gelukt om zich qua communicatie los te maken van de SIS en een eigen communicatie netwerk op te zetten met een eigen coderingsysteem en twee communicatiestations: Poundon in Oxfordshire en GrendonUnderwood
in Buckinghamshire.

Het feit dat men voor deze operatie Noren had gekozen lag in het simpele feit dat geen Engelsman voldoende op een Noor leek en accentloos Noors zou kunnen spreken. Geen Engelsman zou overigens een winter in Noorwegen kunnen overleven, daarvoor zijn de omstandigheden te extreem. Noren waren in deze
barre omstandigheden opgegroeid en wisten hoe zij er mee om moesten gaan om te overleven. In Schotland benaderden de winters die van Noorwegen, hier kon men gedurende een aantal maanden crosscountry skioefeningen doen. Het Noorse station (STS 26) in Schotland was gevestigd in Drumintoul en Glenmore bij
Aviemore bij het voorgebergte van de Cairngorms. Eigenlijk waren het Victoriaanse jachthutten gelegen aan een meer vol forellen en rivieren met zalmen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de cursisten hun leger
rantsoenen aanvulden met wat ter plekke ruim voorhanden was. Helberg werd eens gepakt door een jachtopziener terwijl hij op zalm aan het vissen was. Van zijn officieren kreeg hij een flinke uitbrander, niet zozeer voor het stropen, maar vooral omdat hij gepakt was. Soms gebruikten de Noren wat al te
onorthodoxe methoden om aan vis te komen: men gooide eenvoudig een paar handgranaten in het water. Grouse kreeg in deze omgeving een zware training om zich ongezien door het terrein te verplaatsen, geruisloos door struiken te sluipen, rivieren over te steken, maar er werd ook veel aan conditietraining
gedaan om vermoeidheid en stress te kunnen weerstaan. Voor Poulsson, die als kind al in de bergen rond gezworven had, was de periode in Schotland erg aangenaam, maar later zei hij dat niemand in Engeland hem hoefde te vertellen hoe men op elkaar moest letten of hoe men in de bergen moest overleven.
Na deze cursus ging men naar STS 51 in Ringwood in de omgeving van Manchester en hier kregen de leden van Grouse de gevreesde parachutetraining. Het trainen van sprongen gebeurde namelijk niet vanuit een vliegtuig, maar vanaf platforms en vanuit ballonen. De training werd afgesloten met een nachtsprong
vanuit een ballon op 500 meter hoogte. Weigerde men te springen dan werd men uit de opleiding verwijderd.

Training in Aston House in Hertfordshire
In Aston House in Hertfordshire werden de cursisten getraind in ongewapend vechten, in het gebruik van kleine vuurwapens en hoe men met behulp van explosieven bruggen, dammen, treinen, fabrieken, schepen en haveninstallaties kon vernietigen. Als laatste kreeg men een training in Beaulieu, het statige huis van Lord Montagu in New Forest. Hier kreeg men onderricht in de verfijndere technieken van veld operaties, het vervalsen van documenten, het coderen van radioboodschappen, met maken van microfilms en hoe men uit handen van de vijand moest blijven. Desondanks kregen de leden van Grouse ook een training in ondervragingstechnieken en wat men daarbij wel en niet moest prijsgeven. Bij deze cursus werd de werkelijkheid, behoudens echte foltering, zo dicht benaderd dat het voor de mannen een beangstigende ervaring was, compleet met een Duits sprekende Gestapoofficier.

De uitrusting voor de operatie
Na drie maanden had Grouse de volledige cursus doorlopen en werd met men met een stapel bankbiljetten in de hand Londen ingestuurd om hun winteruitrusting te kopen. Zij konden namelijk zelf als besten beoordelen wat nodig zou zijn bij een temperatuur van 30 graden Celcius en waarbij de windchillfactor het nog een keer zo koud maakte. Maar de firma die de uitrusting zou kunnen leveren konden de gevraagde spullen echter niet leveren als gevolg van de oorlog. Uiteindelijk wist de meest materialen in een dumpwinkel in Dumfries te krijgen, deze verkocht namelijk Noors surplus legermateriaal. De skiuitrusting werd verkregen van een firma in IJsland en van een opslagplaats in Schotland waar gevluchte Noren hun uitrusting achterlieten. De slaapzakken waren echter een ander verhaal, deze werden op aanwijzingen van de Noren met de hand gemaakt. Zij moesten tegen de extreme kou geschikt zijn, maar moesten ook waterdicht en compact zijn.

De periode na de training
Aan het einde van de zomer van 1942 begon het plan om de zwaarwater
productie te saboteren enige vorm te krijgen. De nachten in Noorwegen begonnen al weer langer te worden en men besloot de kwartiermakers in de vorm van de Grouse groep op de Hardangervidda te droppen, zij zouden de Britse airborne troepen binnen kunnen loodsen en verkenningen kunnen uitvoeren. Daarna zou men verzetsgroepen op kunnen gaan leiden voor de Noorse verzetsbeweging MILORG. Zij mochten echter onder geen beding voor de zwaarwater operatie contact met leden van Milorg opnemen om de geplande operatie niet in gevaar te
brengen. Grouse moest wel zo snel mogelijk radiocontact met Londen maken en dropzones opzetten voor de levering van wapens en andere uitrusting. Alle Grouseleden kregen valse identiteitspapieren mee: Haugland en Helberg waren studenten, Poulsson was monteur en Kjelstrup was een rørlegger (loodgieter).
Einar Skinnerland zou via een codebericht via de BBC op de hoogte worden gesteld van de komst van Grouse. Indien mogelijk moest hij een lichtbaken plaatsen waar de dropping plaats vond, zodat de RAF minder moeite zou hebben met het vinden van de dropzone. In een van te voren afgesproken ontmoetingspunt, een hut in de heuvels van de Hardangervidda, zou de broer van Einar, Torstein Skinnerland, contact met hen zoeken. Knut Haukelid die een belangrijke rol zou spelen in operatie Grouse moest afhaken wegens een schietongeluk .Hij had zichzelf tijdens een oefening in zijn voet geschoten.
Tegen het einde van de zomer was de groep meer en meer gefrustreerd geraakt doordat de missie om verschillende redenen steeds werd uitgesteld. Of het weer werkte niet mee, of er waren technische problemen met het vliegtuig. Al twee keer waren zij gepakt en wel in Wick in het vliegtuig gestapt, maar beide keren
waren zij onverricht ter zaken weer naar Wick teruggekeerd. De eerste keer konden piloten de dropzone niet vinden door laag hangende bewolking en de tweede keer kreeg het vliegtuig mechanische problemen en
moest terugkeren.

Decoderen van radioberichten
Om de mannen bezig te houden kreeg het team in Londen een aantal extra lessen in coderen en decoderen van radioberichten. De lessen werden gegeven door het hoofd van de afdeling cryptologie van SOE, Leo Marks. Deze was al in een vroeg stadium op de hoogte van de komende operatie. Hij was degene geweest die de niet te ontcijferen berichten van Einar Skinnerland gekraakt had. Leo Marks: “Er was iets heel aparts aan de berichten van Skinnerland. Soms gaf hij zijn berichten door via een operator die een zender bediende, maar meestal werden de berichten naar Zweden gesmokkeld en vandaar uit met diplomatieke post, of via een directe telegraaf verbinding, naar Engeland verstuurd.

Ik was al twee dagen bezig om weer eens een bericht van hem te decoderen toen Kolonel Wilson mij belde met de mededeling dat ik dit bericht binnen een uur ontcijferd moest hebben. Hij nam blijkbaar aan dat indien ik zijn eerste bericht had kunnen kraken, ik geen moeite meer met dit bericht zou hebben.

Dit was de eerste van een hele serie niet te kraken berichten en het was slechts een opwarmertje voor wat mij nog te wachten stond. Plotseling wist ik echter wat Skinnerland had gedaan, door een aantal codegroepen uit het bericht samen te trekken kreeg ik het woord woeste in de eerste regel en direct daaronder
het woord Vemork in de tweede regel. Meteen nam ik contact op met GrendonUnderwood. De dienstdoende marconist was al in verbinding met
Skinnerland en hij stond op het punt hem te vragen het bericht te herhalen. Ik zei tegen het afdelingshoofd dat de het bericht niet herhaald hoefde te worden en dat Skinnerland meteen zijn zender uit moest schakelen om niet uitgepeild te worden.
Na enige tijd vond ik nog een woord wat berg leek. Woesteberg, zou Wilson dat iets zeggen?”

In de loop van de tijd Kreeg Marks meer niet te ontcijferen telegrammen van Skinnerland onder ogen en tegen de tijd dat het Grouse team zijn opwachting in Londen maakte voor extra coder lessen was Leo Marks volledig op de hoogte van hum missie en het belang van de missie.

Het Grouse team was ondergebracht in een flat van de Noorse sectie van SOE in Chiltern Court en hier zouden zij van Leo marks nog een extra les in coderen en decoderen krijgen. Kolonel Wilson drong er bij Leo Marks op aan dat hij geen nietteontcijferen telegrammen van Grouse wenste te ontvangen. Daarvoor
waren hun berichten te belangrijk, hoewel Wilson de indruk had dat zij niet veel berichten zouden verzenden.

Marks begon de les door iedereen een vel papier en een gedicht te geven waarna elk van hen een gefingeerd bericht op moest stellen. Het bericht moest minstens 250 karakters lang zijn en moest zowel in het Noorsals in het Engels opgesteld worden. Het viel Leo Marks op dat Haugland was nog steeds bezig met het
nummeren van zijn sleutel terwijl de anderen hun eerste transpositie al bijna klaar hadden. Tenslotte zag Marks wat Haugland gedaan had, hij had het uitgereikte ruitjes papier niet gebruikt, maar had een blanco vel papier gebruikt waarop hij zelf lijnen aangebracht had. Hij gebruikte hiervoor geen liniaal maar een potlood. Haugland was aan het coderen zoals hij in Noorwegen zou coderen en op de hoogvlakte was geen boekhandel waar je ruitjes papier kon kopen. In het vervolg zou Marks iedereen een blanco vel papier geven in plaats van ruitjes papier.

Toen iedereen zijn bericht gecodeerd had moesten zij elkaars berichten decoderen. Marks was benieuwd hoe dit zou gaan en wie er nu achter zou blijven decoderen is immers iets anders dan coderen. De één is goed in coderen en een ander is goed in decoderen. Het komt zelden voor dan men in beiden even goed is.
De sfeer in de kamer was nu geladen met niet uitgesproken frustraties, dit was het moment waarop men vercijferen leert. Marks hoorde nu het geluid van brekende potloodpunten, het gebruik van vlakgum en een kreet in het Noors van Poulsson waar de rest erg om moest lachen. Op een geven moment hoorde Marks nog maar het gekras van drie potloden, iemand zat dus in de problemen: Kjelstrup. Misschien lag het aan Haugland wiens bericht hij moest decoderen. Misschien was Hauland toch niet zo goed als Marks had gedacht. Terwijl Marks de klok in de gaten hield zag hij ook dat Kjelstrup nog een lange weg te gaan had.
De rest was al klaar, maar men deed als of men nog druk bezig was, dit gaf Kjelstrup de kans om in te lopen. Deze actie voorkwam tevens dat Kolonel Wilson op de hoogte gesteld zou worden dat één man langzamer was dan de rest. Nadat Kjelstrup zijn opdracht ook klaar had keek Marks de berichten na en er zaten alleen wat kleine foutjes in. Behalve in die van Haugland. Hij had foutloos gewerkt, zijn bericht bleek geen 250 karakters lang te zijn, maar 350 en in plaats van de kortste woorden te kiezen zoals iedereen deed had hij de juist de langste woorden uit zijn sleutel gedicht gebruikt. Dit was tevens de reden waarom Kjelstrup meer tijd nodig had gehad om het bericht te decoderen. Haugland bevestigde met deze actie dat hij qua coderen een klasse op zich was.

Op 18 oktober 1942 werd opnieuw een poging ondernomen om de mannen van Grouse met een bommenwerper naar Noorwegen te vliegen.

Survival op de Hardangervidda
Het was een heldere avond, net na zeven uur, toen de Grouse leden plaats namen in het vliegtuig en Wing Commander Hocley en Flight Lieutenant Sutton de Halifax bommenwerper boven de Noordzee hoogte lieten winnen. Het zou echter nog vier vliegen zijn voordat men de dropzone op de Hardangervidda zou bereiken. Dit keer bleef het weer goed toen zij het Telemark gebied bereikten en begonnen te dalen voor de dropping. Het was een kristalheldere nacht en de leden van de Grouse groep konden onder zich het ruige landschap van hun vaderland voorbij zien trekken. Zij konden de lange slingerende fjorden en meren zien, nauwe valleien en de vlakke met sneeuw bedekte bergen. Soms zagen zij de lampen van auto’s en huizen, misschien woonden daar vrienden of familie en wat was er van hen terecht gekomen de in de afgelopen twee jaren? Waren zij nog in leven, of zaten zij in concentratiekampen? Voor Poulsson, Haugland en Helberg was het helemaal een aparte thuiskomst, zij zouden hun kamp opslaan op de Hagdangervidda maar op een paar kilometer afstand van de plek waar zij geboren en getogen waren en waar hun familie nog steeds woonde. Dat hoopten zij tenminste. De Hargangervidda is een gebied van 8000 vierkante kilometer, een vrijwel onbewoonde wildernis waar het winter begon te worden waardoor het veranderde in een ontoegankelijke bevroren woestenij voor de komende zes maanden. De Hardangervidda is een verzameling van rotsen, meren, rivieren en stroompjes, het klimaat is dusdanig dat er vrijwel niets groeit en er komen ook bijna geen dieren voor, afgezien van rendieren, korhoenders, sneeuwhoenders en een enkele poolvos. Voor mensen is het daar in de winter levensgevaarlijk. Op een heldere dag lijkt het terrein op de poolgebieden in Canada; alleen rotsen en ijs zover als het oog reikt. Op de lager gelegen delen komen berkenbosjes voor, aan de meren ligt hier en daar een jagershut, maar verder is er niets, helemaal niets, totale leegte. De Hardandervidda is een gebied waar mensen graag komen, maar slechts weinigen kunnen in deze barre omgeving overleven.

Toen de Nazi’s Noorwegen bezetten trokken zij om het gebied heen en wanneer zij op de Hardangervidda naar verzetstrijders, of naar zogenaamde Britse parachutisten zochten, trokken nooit verder dan een have dagmars het gebied in, zodat zij er weer uit waren voordat het avond werd. Voor hen was dit een verschrikkelijke plek, een bevroren hel op aarde. Maar voor de mannen van Grouse zou dit gebied hun thuis worden. Toen het vliegtuig de dropzone naderde opende sergeant Hill, de RAF belader, het luik in de bodem van het vliegtuig. Het was tijd om te springen. De harten van de jonge Noren begonnen nog sneller te kloppen, niet alleen van opwinding, maar ook van angst, hun oorlog stond op het
punt te beginnen. De vier stonden op rij om te kunnen springen, gekleed in paraoveralls en beladen met uitrusting toen de vrieskoude vanuit de opening in het vliegtuig hen trof. Om 23.18 uur wierp sergeant Hill eerst zes containers af met de uitrusting van Grouse, daarna volgden op rij,Poulsson, Haugland, Kjelstrup
en Helberg sprong als laatste de ijskoude nacht in. De eerste seconden na de sprong waren de vier commando’s volslagen hulpeloos, zij sprongen met een zogenaamde staticline, een koord dat pas na 5 meter van hun val de parachute uit de rugzak trok. Het was van belang niet te aarzelen en snel achter elkaar aan
te springen omdat het vliegtuig met een snelheid van 70 meter per seconde doorvloog. Als je te lang wachtte kon je er met een simpel rekensommetje achter komen dat je honderden meters van je kameraden terecht zou komen, of in het slechtste geval de dropzone zou missen. Maar de vier sprongen precies zoals de belader hen opdroeg: met intervallen van twee seconden. Poulsson herinnerde zich later: “Ik denk dat wij allemaal gespannen waren toen wij door de opening in het vliegtuig sprongen, maar wij waren ook verheugd om Noorwegen weer naar ons toe te zien komen”. Sergeant Hill gooide nog snel twee pakketten naar buiten en smeet daarna snel het luik dicht. Toen het vliegtuig een bocht maakte om op heimelijk weer naar huis te vliegen, zag de bemanning een perfecte lijn van twaalf parachutes die in het heldere maanlicht naar de aarde zweefden. Commandant Hockley schreef in zijn logboek: Exact het droppingpunt gevonden en de hele lading in één stick uitgezet. Lading gedropt vanaf een hoogte tussen de 150 en 300 meter. Al vliegend naar het zuiden, alleen sneeuw gezien op de hoge
gedeelten van het terrein. De belader rapporteerde: de mannen sprongen goed en zonder aarzeling. De staartschutter meldde 12 geopende parachutes te hebben gezien en dat op het laatste pakket na iedereen veilig geland was.

Wat men in het vliegtuig niet kon zien, terwijl zij op weg waren om boven Stavanger propaganda biljetten te droppen, dat de mannen en de uitrustingen met een geweldige klap tegen de grond sloegen. Het was een geluk dat niemand van ons iets gebroken had, schreef Poulsson in zijn logboek. Zodra de mannen de grond hadden geraakt ontdeden zij zich zo snel mogelijk van hun parachutes om niet met de dwarswind over de rotsen gesleept te worden, waardoor zij als nog hun botten zouden kunnen breken. Helberg was zo hard tegen de grond gesmakt dat het hem een week kostte om van zijn verwondingen te herstellen. Gedurende de volgende uren was men bezig om de containers en de pakketten te verzamelen
waar hun leven vanaf zou hangen. Om vier ’s morgens hielden zij ermee op, door de duisternis en het golfende terrein was het onmogelijk om alles te vinden. De rest van de nacht brachten zij door vlak bij de landingsplaats, opgerold in hun slaapzakken in de luwte van een rots om zich tegen de snijdende wind te
beschermen. Vlak voor de mannen in hun slaapzak kropen lichtte Poulsson hen in over het doel van hun missie: zij waren de verkenners voor een groep Britse commando’s wiens taak het was de zwaarwater fabriek in Vemork op te blazen. Poulsson herinnert zich:”Voordat wij vertrokken naar Noorwegen had Kolonel Wilson mij verteld hoe belangrijk de missie was, als de Nazi’s het zwaarwater
in handen zouden krijgen, zouden zij in staat zijn een deel van Londen in één klap te vernietigen”.” Ik had geen idee wat zwaarwater was en ik geloofde er geen klap van wat hij vertelde”. In die tijd kon men zich niet voorstellen dat er iets bestond wat een grotere kracht had dan een 500 pond wegende bom die net in productie genomen was.

Het kostte de groep mannen twee uitputtende dagen om, al wadend door de natte sneeuw, alle gedropte uitrusting, die zich over een groot gebied verspreid had, te verzamelen. Ieder van hen vertrok in een andere richting om de containers, die deels met sneeuw bedekt waren, of tussen rotsen terecht waren gekomen op te
sporen. Al met al duurde het zo lang omdat de ski uitrusting in de container zat die als laatste gevonden werd. Als zij deze container echter als eerste gevonden hadden dan had het zoeken naar de overigen slechts enkele uren gekost, maar in deze omstandigheden zijn ski’s een absolute noodzaak. Het weer was goed in die eerste 4 uren van hun operatie, maar zij waren verbaasd toen zij uiteindelijk in
staat waren te bepalen waar zij zich bevonden. Zij waren op de helling van een berg geland oostelijk van Fjarefit in het Songedal, 16 kilometer westelijk van het punt waar zij door de RAF gedropt zouden worden.

De dropzone
De gekozen dropzone lag in moerassen van Ugleflott, die ongeveer 35 kilometer van Vemork lagen. Onder normale omstandigheden was het afleggen van deze afstand voor de zeer ervaren skiers van de Grouse groep geen probleem. Het probleem was echter dat zij ongeveer 300 kilo aan uitrusting moesten dragen, inclusief eten voor een maand, radio apparatuur en wapens. Men besloot de helft van de uitrusting op een veilige plaats achter te laten en dit na beëindiging van de actie weer op te graven, maar zij moesten wel al het eten meenemen, want zij mochten onder geen beding contact opnemen met de plaatselijke bevolking.
Tot overmaat van ramp was hun kachel tijdens de dropping defect geraakt en hierdoor konden zij nu niet meer dwars door de bergen trekken. Warmte, om kleding te drogen en op mee te koken, is noodzakelijk in dergelijke winterse omstandigheden. De Grouse groep realiseerde zich dat zij zich schuil moesten houden en door het Songedal moesten trekken, hier zouden zij in staat zijn om een vuur aan te leggen met berkenhout. Op 21 oktober, drie dagen na hun aankomst, stak er een geweldige sneeuwstorm op die het de mannen bijna
onmogelijk maakte om de plek te bereiken die zij als basiskamp wilden inrichten. De overgang van herfst naar winter was een kwestie van enkele uren geweest.

Het klimaat van de dropzone
Dergelijke sneeuwstormen waren de redenen van Amundsen en Nansen geweest om hier te trainen voordat zij aan hun poolexpedities begonnen. Maar zelfs zij raakten hier in de problemen. De Hardangervidda is namelijk een vlakte met nauwelijks hoge bergen, maar het ligt wel 1000 meter boven zeeniveau en is op die manier geheel blootgesteld aan de elementen. Dit is een van de redenen waarom het hier heel snel kan gaan stormen en op die manier een gevaar vormt voor zelfs de meest ervaren buitensporters, zeker als er sneeuw ligt. De temperatuur kan plotseling dalen naar 30 graden en samen met de windsterkte leidt dit tot een extreme windchill factor, hierdoor ontstaan levensgevaarlijke situaties. Tijdens zo’n sneeuwstorm kun je geen hand voor ogen zien en de kans op verdwalen is zeer aanwezig en al ronddwalend raakt men heel snel onderkoeld.
De kracht van een sneeuwstorm is verschrikkelijk en in het slechtste geval is men al na een paar uur dood. Redelijk verstand, initiatief en moderne hulpmiddelen helpen maar een beetje. Overlevingstechnieken, of dat nu in het oerwoud, of in de sneeuw is, zijn kennisbronnen die gedurende vele eeuwen verzameld en
opgeslagen zijn en van generatie op generatie zijn overgedragen door stammen en mensen in de hele wereld. Om te overleven in de moeilijkste klimaten en in de zwaarste terreinen heeft men kennis nodig om deze het hoofd te kunnen bieden. Deze kennis en lef was bij de leden van Grouse meer dan aanwezig. Gezien deze
omstandigheden is het niet meer dan eerlijk om toe te geven dat alleen Noren en echt alleen Noren deze operatie uit konden voeren.

Communicatie vanuit Noorwegen
Vechtend tegen de storm vertrokken Poulsson en Helberg met volle bepakking naar een vallei genaamd Haugedalen. Vanuit hun herinneringen uit hun jeugd wisten zij dat hier een hut moest staan. Tot hun wanhoop konden zij de hut echter niet vinden en moesten zij in het donker en in de mist, die plotseling in
het dal was opgekomen toen de wind plotseling was gaan liggen, met volle bepakking weer terug naar de andere twee. Later kwamen zij er achter dat de hut verplaatst was naar een andere locatie. Die nacht probeerden zij vergeefs met hun radioset contact met Engeland te krijgen.

Communicatie was überhaupt een probleem in Noorwegen als gevolg van de nauwe dalen, de steile hellingen en het verschrikkelijke winterweer. SOE slaagde er echter in een radioset te produceren die voldoende vermogen had om toch contact te maken, de beroemde B2 “suitcase” set. Deze zendinstallatie was verpakt
in een alledaags koffertje. Grouse had echter het geluk om over Knut Haugland te kunnen beschikken, hij was waarschijnlijk de beste radiobedienaar in bezet gebied gedurende de hele oorlog. Maar ook hij was echter niet in staat contact te maken. Bij SOE begon zich men ernstige zorgen te maken wat er met de verkenners gebeurd zou kunnen zijn. Zou hun komst uitgelekt zijn en stond er al een Nazi ontvangstcomité op hen te wachten? Misschien waren het vliegtuig en de parachutes gezien, of misschien was een van hen ernstig gewond geraakt tijdens de landing? Dit waren allemaal mogelijkheden die SOE al eerder mee had gemaakt met het droppen van agenten achter de vijandelijke linies. Denk hierbij aan het Englandspiel, waarbij tientallen agenten direct na hun dropping in de handen van de Nazi’s vielen.

Het afleggen van de tocht
De volgende dag vertrokken de vier om een tocht te maken die Poulsson een zware en afmattende mars noemde. Zij moesten ongeveer 250 kilo aan uitrusting verplaatsen waaronder: een radioset, twee accu’s, een Eureka radiobaken, een handgenerator, velduitrusting, een wit geschilderde Stengun en voldoende voedsel
voor dertig dagen, verdeeld in kleine rantsoenen. De totale uitrusting werd verdeeld in 8 ladingen van elk 30 kilo. Dit betekende dat de groep elke trip twee keer moest maken om alles te kunnen verplaatsen naar hun volgende stop. In hun officiële logboeken en rapporten, wordt luchtig gesproken over de uitdagingen die
zij gedurende hun eerste week na aankomst ondergingen, maar tussen de regels door valt te lezen dat deze onderneming bijzonder zwaar was. De tocht door Songedalen was extreem zwaar, het ijs op de meren was nog niet betrouwbaar, het terrein was oneffen en bedekt met een laag natte sneeuw waardoor het
ongeschikt was om goed met ski’s overweg te kunnen.

Wanneer zij van het spoor afweken zakten zij tot aan hun knieën in de natte sneeuw weg. De storm was een voorbode geweest van zachter weer en aan hun ski’s bleven grote klonten sneeuw plakken waardoor zij nog langzamer vooruit kwamen. Zij hadden weliswaar voldoende skiwas meegenomen, maar dit wilden zij bewaren voor de terugtocht na de aanval. Volgens Helberg was het verse sneeuw en de temperatuur was niet erg laag, daarom bleef het aan onze ski’s plakken.

Langlaufen is onder de juiste omstandigheden geweldig leuk, het schijnt een van de meest intensieve sporten te zijn die er bestaat, vrijwel alle spiergroepen worden gebruikt en er wordt veel gevraagd van hart en longen. Maar als men ondervoed is, uitgeput en koud en als de omstandigheden tegenwerken dan wordt het een pijnlijke martelgang. Het is echter nog altijd beter dan het enige alternatief, door de sneeuwbanken heen waden. Conditioneel moest Grouse in staat zijn om deze uitdagingen het hoofd te bieden na hun uitgebreide training in de Cairngorms. Zonder deze training en aanvullende spiertraining zouden zij nog veel langer met deze verplaatsing bezig geweest zijn.

Een bijkomend probleem was dat zij zich niet linea recta konden verplaatsen, zij moesten in de lager gelegen gebieden blijven om brandhout te kunnen vinden. Vuur is een absolute must in deze omstandigheden, warm eten en drinken zijn noodzakelijk, maar ook moesten zij hun natte kleding kunnen drogen omdat het nat werd van de sneeuw en van zweet, als gevolg van hun bovenmatige inspanning. Zij wilden zich zoveel mogelijk in een rechte lijn verplaatsen, maar zij waren gedwongen om steeds om rivieren en meren heen te trekken, het ijs was nog te dun om er overheen te trekken en hier en daar stond er ook nog water op het ijs waardoor hun voeten drijfnat werden. Uit het logboek van Poulsson blijkt dat hun trips belachelijk kort waren, soms maar een paar kilometer per dag. En tot overmaat van ramp brak Poulsson een van zijn skistokken en het duurde nog een maand voordat hij hem vervangen kon.

Op 24 oktober, zes dagen nadat zij geland waren, kwam de groep volledig uitgeput, nat en hongerig bij een verlaten (zomer) boerderij aan op een plek die Berunuten genoemd werd. Hier vonden zij wat vlees en meel en konden daarmee hun eerste fatsoenlijke maaltijd bereiden sinds hun aankomst in Noorwegen. Het was gebruikelijk dat men in geval van nood gebruik kon maken van de voorraden in de hutten op de Hadandervidda. Onder normale omstandigheden werd verwacht dat men de gebuikte voorraden op een later tijdstip verving, een presentje, of geld in de hut achterliet. Dit waren echter geen normale omstandigheden en de Grouse leden waren genoodzaakt voedsel en andere levensmiddelen te stelen. De eerste dagen leefden wij in een tent in de buurt van de dropzone, maar het werd te zwaar en wij wisten dat wij in de hutten in
konden breken en in deze tijd van het jaar en in deze weersomstandigheden zou er niemand in de Hardangervidda zijn, aldus Poulsson. Naast voedsel vonden zij hier ook een toboggan, dit is een slee die door een skiër getrokken kan worden met behulp van een leren tuig en trekstangen. Het bleek een bijzondere vondst te zijn, want de slee had eens aan Poulsson behoord, hij was als kind in bezit gekomen van deze slee, maar deze was verdwenen aan het begin van de oorlog. Deze vondst maakte de dagmarsen echter een stuk eenvoudiger. Het team ging dit keer slapen met een volle maag en toen zij de volgende dag wakker werden bleek het mooi weer te zijn, dit was een geweldige oppepper, zodat zij verder
gingen met hun tocht langs de hellingen van de vallei.

Die dag bereikten zij de top van de Valasjå vallei, lieten hier hun lading achter en keerden weer terug naar de Berunuten boerderij. Poulsson en Kjelstrup, de sterksten van het team, gingen nogmaals met een lading naar een hut bij de Valasjå vallei en brachten daar de nacht door. Helberg en Haugland bleven op de
boerderij en deden ’s nachts wanhopige pogingen om contact met Engeland te maken. Ook dit keer hadden zij geen succes en door de plotseling opgekomen mist waren zij ook niet in staat om op 27 oktober in de hut aan te komen. De volgende ochtend slaagden zij daar echter wel in en de vier vertrokken meteen weer nadat zoveel mogelijk uitrusting op de slee geladen was als maar enigszins mogelijk was. Als de bodem vlak is, is een slee een geweldig hulpmiddel en de trekkers kunnen dan een redelijke snelheid ontwikkelen. Wanneer een slee eenmaal in beweging is blijft hij glijden en is er weinig kracht voor nodig om hem voort te trekken waardoor men weinig energie verbruikt. Dit is van belang in extreem koude omstandigheden en zeker wanneer men eigenlijk te weinig voedsel binnenkrijgt om goed te kunnen functioneren.

Het eerste contact met mensen
De groep Grouse schrok zich dood toen zij tussen Valasjådalen en Bitdalen twee mannen uit de stad Rauland tegen kwamen, de twee waren op zoek naar schapen die hier in de warmere maanden graasden en zij waren nu op weg naar hun hut. Het was hun meteen duidelijk dat de vier, gezien de hoeveelheid uitrusting niet voor hun plezier op de Hardangervidda waren. Dit was de eerste ontmoeting met mensen sinds hun aankomst tien dagen geleden en dit was een situatie waar zij gedurende hun training steeds voor gewaarschuwd waren. Zij hadden geen andere keuze dan met de mannen een gesprek aan te gaan. Tenslotte gebeurt het niet elke dag dat je in deze tijd van het aan jaar mensen in de Hardangervidda tegenkomt. De vier soldaten hielden hun engelse legeruitrusting verborgen en vertelden de mannen dat zij deel uitmaakten van een soort inlichtingendienst. De mannen moesten beloven dat zij wanneer zij terug waren in Rauland aan niemand zouden vertellen wie zij waren tegen gekomen. In eerste instantie leken zij Jøssings (trouwe Noren), maar in tijd van oorlog is dat moeilijk te bepalen. Je weet nooit met wie je te maken hebt, een Nazicolleborateur,
een verzetstrijder, of patriot. Jezelf kenbaar maken kan tot arrestatie lijden en mogelijk de dood tot gevolg hebben. Klinklare nonsens vertellen zou alleen maar leiden tot verwarring, achterdocht en geruchten in de plaatselijke dorpen. De mannen stelden geen vragen en bleken vriendelijk en behulpzaam te zijn, zij haalden zelfs een hamer en spijkers uit hun hut op om de oude, door het gewicht uit elkaar vallende, slee van Poulsson te repareren.

Aankomst in het Bitdalsvatnet
Die avond, terwijl de mannen het Bitdalsvatnet meer bereikten,
verslechterde het weer in een hoog tempo en omdat het meer nog niet bevroren was waren zij gedwongen om langs de oostelijke oever om het meer heen te trekken. Tegen de tijd dat zij een hut in de buurt van Reinar bereikten was de hele groep totaal uitgeput, zoals Poulsson het uitdrukte: ”we waren behoorlijk kapot”. Poulsson zelf had last van een kloppende steenpuist op zijn rechter hand en droeg zijn arm in een mitella. Het gezwoeg op een mager rantsoen begon ook zijn tol te eisen. Tijdens de marsdagen bestond het dagelijks rantsoen voor een kwart uit een plak pemmican (gecondenseerd gedroogd vlees vermengd met fruit en vet), een handvol havergrutten, vier beschuiten, een beetje boter, kaas, suiker, wat chocolade en een handvol tarwebloem. Onder normale omstandigheden was dit al niet genoeg voor een man om goed te functioneren, laat staan in deze ijskoude omstandigheden waarbij het lichaam alles verbruikt om warm te blijven. Daar komt nog bij dat men door diepe natte sneeuw moest waden en hiervoor was het rantsoen al helemaal niet voldoende.

Helberg haalt nieuwe voedselvoorraden
De mannen besloten de groep op te splitsen, Helberg zou terugkeren naar de boerderij bij Berunuten om daar, zoveel als hij maar dragen kon, aan voedsel te stelen, terwijl Haugland opnieuw zou proberen radiocontact te maken met de stations Poundon of GrendonUnderwood in Engeland. Poulsson en Kjelstrup zouden ondertussen een voorwaartse verkenning doen om de beste route naar de
volgende hut te vinden. Hun taak was extra lastig omdat Poulsson zijn kaart vergeten had en het betreffende gebied niet kende. De bedoeling was om elkaar over drie dagen weer in Reinar te treffen. Helberg maakte de 11 kilometertrip
naar Berunuten en terug onder de meest verschrikkelijke omstandigheden, de temperatuur was naar beneden gedoken en er was een storm opgestoken die over de Hardangervidda huilde vanuit het noordoosten. Helberg en de andere leden van het Grouse team waren allen bekend met strenge winters op de Hardangervidda, maar geen van hen had verwacht dat de winter zo vroeg zou invallen en dat het gepaard zou gaan met deze temperaturen. Toen Helberg eindelijk weer in Reinar arriveerde stond hij op het punt in elkaar te zakken, hij was totaal uitgeput geraakt door zijn gevecht met de elementen. In het officiële rapport dat na de operatie werd opgemaakt schreef Poulsson over dit sterke staaltje van Helberg: Een man gaat door tot hij erbij neervalt en dan gaat hij nog een keer zover”. Later zei hij over Helberg: ”Zelf ben ik heel praktisch ingesteld, maar Helberg was de meest praktische man in de hele groep”.

Gevaar voor onderkoeling
Pulsson en Kjelstrup verging het maar weinig beter in deze erbarmelijke omstandigheden, zij waren in staat een paar kilometer af te leggen en moesten uitgeput naar de hut in Reinar terugkeren. Om het nog erger te maken, was Poulsson voor de tweede keer sinds hun aankomst door het ijs gezakt. Er zijn zo veel meren en rivieren in de Hardangervidda dat in het water terecht komen een constant gevaar is. Onderkoeling zet heel snel in als je in het water valt en je moet binnen enkele minuten je natte kleren uittrekken en je afdrogen, anders ben je binnen enkele minuten dood. Dit is met name een probleem als je alleen bent, dit was voor de Grouseleden meestal het geval wanneer zij aan het jagen waren of op verkenning uit gingen. Als zij reserve kleding in hun rugzak hadden werd deze ook nat, dus alleen wanneer zij in elkaar’s gezelschap waren, of in de buurt van een van een hut waren die rond de meren liggen, hadden zij een kans om te overleven. Zelf uit een wak klimmen is vaak bijna onmogelijk. De beste manier om
iemand uit een wak te halen is om plat op het ijs te gaan liggen en met behulp van een touw of een ski de persoon uit het wak te trekken. In dit geval was Kjelstrup in staat zijn commandant uit het wak te trekken. Er waren echter ook een paar positieve zaken te bespeuren in deze zware dagen die allen tot op de grens van menselijk kunnen brachten. Ten eerste vonden Poulsson en Kjelstrup een goed uitgeruste hut, genaamd Folabu, waar zij konden schuilen voor de huilden storm en waar zij op krachten konden komen voor hun volgende trip. “Bu” betekent hut in het Noors en daaraan voorafgaand komt meestal de naam van de
eigenaar. Ook hadden zij een ijsbrug over de rivier de Farhovd gevonden en dat scheelde hen enkele dagen van nog meer zware marsen.

Hoofdkwartier van SOE maakt zich zorgen
In Baker Street, het hoofdkwartier van SOE, begon men intussen te geloven dat het met Grouse gedaan was. Het verlies van de vier mannen was erg genoeg, maar men moest daarbij wel het doel van de missie in de gaten houden. Als Grouse niet spoedig van zich zou laten horen, dan kon men dit plan in de prullenbak gooien en was men gedwongen weer van voren af aan te beginnen.
Grouse zelf zat vreselijk verlegen om een nieuwe accu om de radioset aan de praat te krijgen, want de handgenerator werkte niet naar behoren. Poulsson besloot dat het noodzakelijk was contact op te nemen met de broer van Einar Skinnerland, Torstein, die bewaker was van de Møvatndam. Nadat de meeste
uitrusting in Berunuten en Reinar hadden achtergelaten was namen zij naar Folabu alleen het meest noodzakelijke mee. Tevens werd besloten dat de Sandvatn hut bij Grasfjell als basis zou dienen om de Engelse commando’s op te vangen. Ondanks dat deze hut vijf kilometer van de afgesproken landingsplaats
voor de zweefvliegtuigen bij Skoland lag, was het toch een prima locatie omdat het zeer afgelegen lag en waarschijnlijk niet door de Nazi’s gevonden zou kunnen worden. Er waren ook een paar hoge bergtoppen in de buurt die geschikt zouden zijn om via de radio contact met Engeland op te nemen. Toen het viertal de hut bereikte waren zij totaal uitgeput door de vijftiendaagse trektocht in de meeste barre omstandigheden en in het zwaarste terrein wat er op het noordelijk halfrond te vinden is. Onder normale omstandigheden in dat deel van het jaar zou de tocht maar een fractie van de tijd gekost hebben, van de tijd die de mannen nu kwijt waren. Hun vastberadenheid is des te opmerkelijker gezien de beperkte rantsoenen waar men van moest leven. “Onder normale weersomstandigheden had het ons een paar dagen gekost, maar door de natte sneeuw, de nog niet bevroren grond en de meren en rivieren die nog niet bevroren waren kostte
het ons verschrikkelijk veel tijd om al die uitrusting te verplaatsen” aldus Poulsson. “Het was erg vermoeiend, maar omdat wij van hut naar hut trokken waren onze nachten redelijk comfortabel. Het eten was ons probleem, We gebruikten snel al onze rantsoenen op en we kregen echt honger”.Het was nu
absoluut noodzakelijk dat Haugland met Engeland contact te kreeg. Torstein Skinnerland had hen van een nieuwe accu voorzien, wat eten en de laatste informatie over Duitse troepenbewegingen in het gebied. Bij aankomst in de hut begonnen zij onmiddellijk antennemasten op te richten en schakelden zij de radioset in. Weer hadden zij geen succes, dit keer omdat de radioset gedurende het laatste deel van de mars nat geworden was en eerst moest drogen. Drie dagen later, op 9 november, drie weken nadat zij uit Schotland vertrokken waren stuurden zij dit bericht, een meesterlijk staaltje van understatement:

”Veilig geland ondanks alle rotsen in de buurt. Excuses dat wij niet eerder contact op konden nemen. Sneeuw en mist dwongen ons in de dalen te blijven. Ruim een meter sneeuw maakt het bijna onmogelijk om alle apparatuur over de bergen te verplaatsen”.

Volgens Leo Marks was het bericht in eerste instantie niet te ontcijferen geweest door de FANY’s van GrendonUnderwood. Daarom moest hij er zelf aan te pas komen. Hij wist dat ergens in het bericht de identificatie code DRIE ROZE OLIFANTEN voor moest komen en met behulp van deze zin wist hij het bericht te decoderen. Haugland had geen coderingsfout gemaakt en ook zijn seinschrift was correct geweest. Er zaten echter een typfouten in zijn noorse code gedicht waarin de decodersleutel verwerkt was.

De radioset van John Brown
De radioset was door John Brown ontwikkeld in opdracht van SOE en kwam in het begin van 1942 in productie. De A MkII, ook wel B2 genoemd, was de krachtigste zendontvanger van SOE. De set was alleen geschikt was voor het verzenden en ontvangen van morseberichten. Het zendvermogen was maximaal 20 watt en de set kon werken op accu’s, een meegeleverde handgenerator en op 110, of 200 Volt netspanning. De morseberichten werden volgens speciaal door Leo Marks aangemaakte gedichten gecodeerd, of gedecodeerd volgens de dubbele transpositie methode. Grouse gebruikte echter een Noors gedicht. Haugland was een meester in dit vak en was waarschijnlijk de beste coder/decoder van alle SOE agenten gedurende de oorlog. De koffer van de B2 beviel Haugland echter niet en hij gooide het ding weg. Haugland had of contact met een SOE station in GrendonUnderwood (53A), of met het SOE station in Poundon(53B). Hier stonden allerlei zenders, ontvangers en antennes opgesteld om contacten te onderhouden met agenten in de bezette gebieden. Het werkterrein strekte zich uit van Noord-Noorwegen tot en met gebieden rond de Middellandse Zee, hiervoor kon met schakelen tussen verschillende antennesystemen die in diverse richtingen straalden. Ook beschikte men over zeer krachtige zenders om ook tijdens perioden met weinig propogatie toch berichten te kunnen verzenden. Ontvangers en zenders stonden ver van elkaar opgesteld om onderlinge beïnvloeding te voorkomen. De apparatuur werd door FANY’s bediend, dit was een vrouwelijk vrijwilligerskorps. Poundon en GrendonUnderwood stonden via een telexlijn in verbinding met SOE in Bakerstreet. Hiermee werden de door de FANY’s niet te ontcijferen berichten verzonden. Onder andere de berichten van Einar Skinnerland die door Leo Marks zelf gedecodeerd moesten te worden. Zoals Haugland een meester was in het foutloos coderen, zo was Einar Skinnerland een meester in het
verzenden van nauwelijks te decoderen berichten.

Nieuwe krachten opdoen
Drie dagen later vroeg Haugland in een volgend bericht of de RAF de volgende voorraden kon droppen: vervalste bonkaarten voor brood, boter, laarzen, vitamine C tabletten en horloges (de standaard horloges waren waardeloos en bijna alle leden van de groep hadden hun horloges al na enkele dagen weggegooid).
De felle sneeuwstormen en de lichamelijke uitputting die zij de afgelopen tijd hadden ervaren maakte duidelijk dat het verkrijgen van voldoende voedsel met de hoogste voedingswaarde nu de hoogste prioriteit had voor de komende weken. De voedselbonnen zou men aan Torstein geven zodat hij voedsel kon halen en dit naar de hut kon vervoeren zolang als het veilig was. De groep deed zijn best weer op krachten te komen na hun afmattende mars naar de hut. De volgende dagen
hadden zij een feestmaal, omdat Haugland een verdwaald schaap en twee lammeren in een ravijn had gevonden. “Wij hadden op dat moment erg veel honger, dus slachtten wij meteen een van de lammeren en vilde hem op de vloer van de hut”, aldus Haugland. “Wij sneden het vlees in kleine stukjes en deden het in een grote ketel met wat gedroogde bonen die wij nog over hadden uit onze noodrantsoenen. Het geheel rook verrukkelijk en wij gingen likkebaardend aan tafel. Maar toen een van ons de ketel naar de tafel droeg liet hij hem uit zijn handen vallen. Wij lagen meteen op handen en voeten op de vuile vloer die bedekt was met rendierhuiden en schepten alles op onze borden en aten alles op. Het smaakte heerlijk”. “Als je honger hebt eet je alles. De volgende dag slachtten wij het schaap en het lam dat wij vastgebonden hadden. Er hingen labels rond de nekken van de dieren waarop stond dat zij eigendom waren van een tandarts uit ZuidNoorwegen, dus voelden wij ons niet schuldig. Wij hadden gestolen van rijk man en niet van een arme boer”. Degene die de ketel had laten vallen was Poulsson, de commandant, maar er heerste zo’n solidariteit binnen de groep dat men heel lang, zelfs vele jaren later, niet wilden vertellen wie het gedaan had. “Maar de jongens vonden het niet grappig”, schreef Poulsson in zijn officiële notities.

Betere verbindingen met Engeland
Op het moment dat een weersverbetering inzette liepen de verbindingen met Engeland als gesmeerd, men had de hut naar behoefte ingericht en Grouse kwam zo langzamerhand in hun operatieritme. Er was hun verteld dat de Britse troepen met zweefvliegtuigen zouden komen en Grouse begon daarom verkenningen uit te voeren om een geschikte landingsplaats voor hen te vinden. Op 12 november kon Haugland SOE meedelen dat zij een plek hadden gevonden die voldeed aan de gestelde vereisten. De voorgestelde plek lag vijf kilometer ten ZuidWesten van de Møsvatndam, het terrein was vlak, was vrij van stenen en was ongeveer 700 meter lang. Haugland kon Londen ook informeren over het feit dat de spionnen van Einar Skinnerland hadden doorgegeven dat Dr. Brun en zijn gezin uit Vemork gevlucht waren en waarschijnlijk in Zweden zaten. Dit gaf SOE gelegenheid een ontvangst comité samen te stellen, zodat geen tijd verloren zou gaan om hem
eerst te moeten te ondervragen en aan de hand van de uitkomst de laatste details voor de missie in te vullen. Haugland’s boodschappen moesten kort zijn en hoe sneller hij klaar was hoe beter om daarmee de kans op uitpeilen door de Nazi’s te beperken. Als je vandaag de dag zijn telegrammen leest (de originelen kunnen in
het openbaar archief in Kew, Engeland, bekeken worden en van sommigen zijn kopieën in het verzetsmuseum in Olso te vinden), kom je al snel te weten dat Haugland zoals gezegd een meester was in zijn vak. Al zijn berichten die in Engeland gedecodeerd werden waren kort, accuraat, vol informatie met geen woord teveel en geen woord te weinig. Haugland is een interessant figuur, hij past helemaal niet in het standaardbeeld van een getrainde SOE agent, die iemand op honderd verschillende manieren geruisloos om kan brengen. Hij zou zonder meer elke taak die hem door SOE opgedragen worden uit voeren, maar hij was ook uiterst intelligent zoals zoveel radiobedienaars tijdens de oorlog. De rol van de radiobedienaars wordt altijd overschaduwd door de kleurrijke en heroïsche acties van de saboteurs, maar de rol van deze mensen was uiterst belangrijk voor de uitkomst van het conflict. Zonder deze mensen zouden verzetsgroepen niet hebben kunnen bestaan. Geheime communicatie tussen Londen en de bezette gebieden werd door hen in stand gehouden. Berichten werden ook op andere manieren naar buiten gesmokkeld, maar vanuit het standpunt van uit te voeren operaties was het belangrijk dat troepenen
scheepverplaatsingen zo snel mogelijk werden doorgegeven. De radiobedienaars met hun informatiebronnen waren de ogen, oren en mond van de geallieerden in bezet Europa. De Nazi’s hadden van meet af aan door dat deze mensen een reële bedreiging voor hen vormden en hadden daarom een zeer doeltreffend opsporingsysteem ontwikkeld waarbij het mogelijk was om een zender in enkele minuten op te sporen. Tevens waren zij in staat alle berichten die vanuit Poundon, GrendonUnderwood, of vanuit andere geallieerde stations werden verzonden te
ontvangen. Het enige probleem was echter om de gecodeerde berichten te kraken. Omdat zij hierin niet slaagden was er maar één oplossing: de radiobedienaars in de bezette gebieden uitpeilen en oppakken. Radiotelegrafisten die achter de linies opereerden leden een uiterst gevaarlijk bestaan, zij moesten continue hun zware apparatuur van de ene naar de andere locatie verplaatsen om op die manier te voorkomen dat zij uitgepeild zouden worden. Het gewicht en de omvang van de apparatuur vormde een groot probleem. Aan het begin van de oorlog woog een radioset gemiddeld 15 kilo, later werd dit gereduceerd tot 8 kilo.

Stroomvoorziening was een grote hoofdbreker voor Grouse gezien de veiligheidsmaatregelen die men moest treffen om niet ontdekt te worden. Er was in hun afgelegen locatie geen stroomvoorziening aanwezig. Het opladen van batterijen was voor de mannen in de bergen een groot probleem, want hiervoor moesten zij contact opnemen met de buitenwereld en moesten de accu’s van – en naar de hut vervoerd worden. Als laatste optie was er nog de handgenerator, maar deze bleek verre van perfect. De radiobedienaars moesten eerst de boodschappen via een gecompliceerd systeem coderen en daarna zo snel
mogelijk verzenden. Hoe langer men in de lucht was hoe groter de kans was gepakt te worden. Dit was voor Haugland en Torstein Skinnerland niet zozeer een probleem omdat zij min of meer door de wildernis beschermd werden, maar ook zij moesten een aantal keren hun apparatuur snel inpakken en vluchten, omdat zij het geluid van een naderend Duits vliegtuig hoorden.

Operatie Freshman
Terug naar Londen, op 15 november 1942 waren SOE en Combined Operations bijeen in het Noorse hoofdkwartier op Chiltern Court, Baker Street. Voor deze gelegenheid waren aanwezig Overste Henneker, LtCommander Wedlake beide van Combined Operations. Overste Wilson, Professor Tronstad en de Majoors Reheams en Nicholls namen deel aan het overleg namens SOE. Er werd besloten dat twee leden van de Grousegroep de Britse commando’s in twee aparte groepen naar de fabriek zouden leiden. De andere twee zouden bij de radioset blijven en het Eureka baken vernietigen zodra de zweefvliegtuigen geland
waren. De naam van de operatie werd “Freshman” en zou in de volgende “maanperiode”, over drie dagen beginnen. De maanperiode
waren de dagen die rond volle maan lagen, zodat er voldoende licht was voor
nachtelijke operaties. Binnen een week na hun afmattende marsen werd Grouse op standby gezet in afwachting van de aankomst van de zweefvliegtuigen. Tijdens de vergadering lanceerde Tronstad een aantal nieuwe voorstellen om de fabriek te vernietigen. Generaal Hansteen van het Noorse leger was bang dat de fabriek op grote schaal schade zou ondervinden en dat deze mogelijk voor altijd buiten bedrijf zou worden gesteld. Tweehonderd mensen in de directe omgeving waren afhankelijk van de fabriek en de kunstmest die zij bereiden was van nationaal belang voor de Noorse economie. De fabriek van Norsk Hydro, ontworpen om diverse commerciëleen industriële producten te vervaardigen, was de grootste
industriële onderneming van Noorwegen en zijn vernietiging zou een zware tegenslag voor het land betekenen. Toen erop aan werd gedrongen zei Tronstad dat een succesvolle vernietiging van de zwaarwater installatie de fabriek voor één of twee jaar buiten bedrijf zou stellen. Dit scenario gaf de geallieerden een
dusdanige voorsprong op de ontwikkeling van de atoombom dat zij niet meer door de Nazi’s ingehaald zouden kunnen worden. Tronstad’s informatie was van cruciaal belang voor het slagen van de operatie. Hij kende elke centimeter
van de indeling van de fabriek en de zwaarwater installatie, maar ook van werkwijze en werktijden van de werknemers. In het betreffende rapport om Tronstad naderhand voor een onderscheiding in aanmerking te laten komen
stond: Zijn technische adviezen waren van grote waarde omdat gebleken was dat de operatie door een kleine groep mensen uitgevoerd kon worden, zonder dat daarbij de levens van trouwe Noren gevaar liepen en de Noorse economie geen blijvende schade opliep na de beëindiging van de oorlog. De meest accurate
informatie werd aangeleverd door Dr. Brun die recentelijk in Engeland aangekomen was, nadat hij en zijn vrouw door het verzet uit Noorwegen gesmokkeld waren.

GEBLEVEN BIJ PAGINA 23