Oorlogvoering in ontwikkeling

afbeelding van P Geertsma

Werken in het leger is ‘samen werken’. Het leger is een grote organisatie die bestaat uit verschillende krijgsmachtonderdelen. Door de specialisatie van de verschillende krijgsmachtonderdelen is Defensie zowel inzetbaar over land, ter zee als in de lucht. De tijd van zeeslagen is tegenwoordig verleden tijd. Er worden nog wel schepen ingezet tegen piraten en ter beveiliging van internationale handelsroutes maar dat is minder belangrijk dan de belangrijke inzet van de marine in de Tweede Wereldoorlog.

De marine is ons oudste krijgsmachtonderdeel en levert tegenwoordig ook nog een belangrijke bijdrage aan de verscheping van militairen en materieel over zee richting crisisgebieden. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd het belang van een sterke luchtmacht steeds meer benadrukt. In de Eerste Wereldoorlog werden vliegtuigen nog nauwelijks ingezet in de statische veldslagen die toen gevoerd werden. In de Spaanse burgeroorlog in 1936 werd al geëxperimenteerd met gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers. De Duitsers lieten met hun ervaring uit de Spaanse burgeroorlog in de grote oorlog die volgden duidelijk zien dat het luchtwapen een zeer machtig middel is om snel resultaten te boeken aan het front. De samenwerking tussen de landmacht van de Duitsers (heer) en de luchtmacht (luftwaffe) zorgde voor zo’n overrompelingseffect aan het front dat deze strijdmethode de term Blitzkrieg kreeg. Al spoedig namen de geallieerden deze tactiek over. Tegenwoordig zijn verschillende aspecten van de Blitzkrieg nog steeds aanwezig in de tactieken. Zo wordt tegenwoordig nog steeds een luchtaanval uitgevoerd voordat er troepen over land worden ingezet. Door luchtaanvallen is het mogelijk om vijandelijke stellingen compleet te vernietigen. Daarnaast kan de vijandelijke infrastructuur ernstige schade worden toegebracht. De infrastructuur moet echter niet zodanig worden vernietigd dat de eigen opmars kan worden gehinderd.

Een nieuw probleem in de huidige krijgstechnieken is het feit dat er steeds meer guerrilla gevechten worden gevoerd. Deze technieken zijn op zich niet nieuw. Al in de Boeren Oorlogen rond 1900 werden deze technieken gebruikt. In Vietnam werd nog eens pijnlijk benadrukt dat het heel moeilijk is om in een guerrillaoorlog van een ‘onzichtbare vijand’ te winnen ook al heb je een modern leger. Van Vietnam lijkt niet heel veel te zijn geleerd. In oorlogen zoals die werden gevoerd tegen de Taliban in Afghanistan kreeg het moderne leger van Amerika weer te maken met guerrilla gevechten. Ook in Irak werden guerrilla technieken toegepast door locale strijders. Inmiddels wordt door het Nederlandse leger en de legers van andere landen geanticipeerd op de guerrilla technieken. Het blijkt dat guerrilla’s afhankelijk zijn van de locale bevolking. Door de locale bevolking te ondersteunen bij de wederopbouw van hun land is de ‘voedingsbodem’ voor guerrilla’s verdwenen. Guerrilla’s worden door Amerikanen ook wel terroristen genoemd omdat ze zorgen voor onstabiliteit. Daarnaast misbruiken veel guerrilla’s de locale bevolking als menselijk schild. De guerrillaoorlog is nog steeds een moeilijke oorlog om te winnen. Toch lijken de eerste resultaten te zijn geboekt. Ook hier staat het woord samenwerken weer centraal alleen dit maal moet samengewerkt met de locale bevolking. De samenwerking tussen de krijgsmachtonderdelen onderling is natuurlijk nog steeds van groot belang.