OMLT’s Korps Mariniers presenteren herinneringsboek over werk in Afghanistan

afbeelding van Willem Jozeph

Over de inzet van Nederlandse militairen in Uruzgan is al veel geschreven, maar sommige onderwerpen blijven onderbelicht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de inzet van het Korps Mariniers in de afgelopen jaren. Dat de verrichtingen van Task Force Viper niet breed worden uitgemeten is logisch. Het werk van de mariniers in de Operational Mentor and Liaison Teams mag echter best meer aandacht krijgen. Deze mannen gaan immers voorwaarts in de eerste linie als trainers en coaches van het Afghan National Army (ANA). Morgen, donderdag 4 juni 2009, vindt de uitreiking plaats van een herinneringsboek van OMLT’s die het Korps heeft ingezet.

Het helpen opbouwen van een professioneel eigen leger door het opleiden en begeleiden van lokale militairen is één van de belangrijkste onderdelen van de exit-strategie voor Afghanistan. Uiteindelijk moeten de Afghanen zelf duurzaam in staat zijn om veiligheid en stabiliteit in het land te handhaven. Luitenant-kolonel der mariniers ‘Ton’ (om maar vast te houden aan de Defensie-huisstijl): ‘Vergelijkenderwijze zou je kunnen zeggen dat we ze op dit punt eerst moeten leren lopen, vervolgens moeten ze door onder goede begeleiding aan het werk te gaan zelfvertrouwen opbouwen. En om zichzelf verder te kunnen ontwikkelen moeten ze nieuwe ervaringen opdoen. Het vormgeven van een goed gestructureerd, professioneel en betrouwbaar eigen leger is een uitermate belangrijk instrument om het land op te bouwen.’

De OMLT’s doen gevaarlijk en inspannend werk. Om het Afghaanse leger naar de lokale bevolking toe een gezicht te geven, moet in de voorste linie worden gewerkt. Teams bestaande uit meerdere tientallen Afghaanse militairen patrouilleren daarom onder begeleiding van enkele handjes vol mentors. Vanuit primitieve patrol bases trekken ze door green zones, lopen door dorpjes en laten zich nadrukkelijk zien in steden. Erg (in)spannend werk, want op alles dat zij tegenkomen moeten zij adequaat reageren. En ze komen nogal wat tegen, variërend van IED’s tot zelfmoordaanslagen. Ton: ‘We zijn tijdens patrouillegangen meerdere keren onder vuur genomen door Taliban. De Afghaanse militairen zijn ongelooflijk moedige strijders die er meteen op af gingen. We moesten ze tijdens de aanval instrueren. Dat maakt het werk er niet gemakkelijker op.’

Tijdens rustpauzes in het veld wordt geïmproviseerd gedoucht met flesjes water en geklooi met jerrycans. Zelfs onderling spreken de Afghaanse militairen vaak letterlijk niet eens dezelfde taal, zodat tolken onontbeerlijk zijn voor zelfs de onderlinge communicatie. Maar door het intensieve samenwerken groeit het vertrouwen in de Nederlandse mentors. De overste, zelf in Afghanistan werkzaam geweest als liaison officer tussen de ANA en de TFU, is van mening dat de grote verschillen in de culturele en religieuze achtergronden tussen de Nederlandse militairen en de ANA-collega’s succesvol zijn overbrugd. ‘Als Afghanen tegen je zeggen “Als er ooit oorlog komt in Nederland, dan komen wij jullie helpen.”, dan is dat in hun begrippen het hoogst denkbare. Namelijk dat zij daadwerkelijk bereid zijn om voor ons de strijd aan te gaan. En dat is voor hun geen vrijblijvende mededeling.’

Morgen dus de uitreiking van het herinneringsboek waarin eindelijk meer aandacht wordt geschonken aan het verborgen werk van de OMLT’s. Defensie stuurt hierover geen persbericht uit, maar de bijeenkomst in de Van Braam Houckgeestkazerne is toegankelijk voor de media.